'Activiteiten'

over

Australische herder

- ERKENDE FOKKER KMSH -

Australische herders

& activiteiten

Wat is Agility ?

Agility, of behendigheid, is een actiespel waar het teamwork van hond en baas voorop staat. Bij agility gaat het erom dat de hond een parcours bestaande uit verschillende hindernissen in een voorgeschreven volgorde foutloos en zo snel mogelijk aflegt. De geleider mag de hond tijdens het lopen van het parcours met de stem en door gebaren aanwijzingen geven. Hij mag de hond of de hindernissen echter niet aanraken. De hond moet dus heel goed leren om op gesproken aanwijzingen en op lichaams-signalen snel en op de juiste manier te reageren. Bij agility wordt een groot aantal hindernissen gebruikt die een beroep doen op verschillende vaardigheden van de hond.

Agility is dé pleziersport en vrijetijdsbesteding voor honden en bazen. Het sluit aan bij de natuurlijke wil tot beweging en aard en gedrag van de hond. De hond (en baas) moet zich lichamelijk inspannen, al zijn spieren worden getraind. De hond wordt zelfbewuster en de band met de baas wordt versterkt.

Opdrachten die de hond zelfstandig moet uitvoeren, prikkelen zijn zintuigen, en versterken zijn geheugen en concentratie. De onderlinge contacten van de honden tijdens de training en de eventuele wedstrijden bevorderen het sociale gedrag en daardoor worden de honden prettiger in de omgang.

Vanaf de zijkant van het veld is agility vooral spectaculair en lijkt het zeer eenvoudig. Een gevorderde combinatie te zien lopen is zeker spectaculair maar heeft al heel wat uurtjes (jaren!) training gevergd voor zowel baas als hond.

 

 

Agility is de hardst groeiende vorm van hondensport. Heel veel bazen en hun honden beleven bijzonder veel plezier aan deze vorm van sport. Steeds meer hondenscholen geven lessen voor de recreatieve, beginnende en de gevorderde wedstrijdloper. Ook internationaal wordt agility steeds populairder. Volgens een laatste telling wordt deze sport nu al in 52 landen bedreven.

Flyball is de enige teamsport binnen de hondensporten.

 

Het is een estafetterace tussen 2 teams van 4 honden. Elke team heeft nog max 2 reservehonden in het team. Een flyballteam bestaat dus minstens uit 4 en max uit 6 honden. In de Nederlandse competitie geldt dat binnen een team slechts 2 honden van hetzelfde ras mogen worden ingezet.

De baan van 15,55m moet heen en terug afgelegd worden. Op de heenweg zonder bal, de bal wordt, bij gebruik van de internationale box, door middel van een swimmersturn uit de box genomen en zo snel mogelijk teruggebracht naar de eigenaar. In Nederland wordt veelal gebruikgemaakt van de Nederlandse bak. Daarbij wordt door de hond door middel van een soort pedaal (de plank) een (tennis-)bal gelanceerd die door de hond gevangen moet worden. Op de baan staan 4 horden op 3,05m van elkaar geplaatst. Deze horden moeten uiteraard genomen worden. Pas als de vorige hond terug over de start- en finishlijn is mag de volgende hond starten. Het team dat zijn 4 honden het eerst foutloos binnen krijgt wint. De kleinste hond van het team is wat men noemt 'de hoogtehond, hij bepaalt de hoogte van de hindernissen. De hoogte van de hindernissen verschilt volgens de plaatselijke reglementen maar is meestal tussen 17,5 cm en 35 cm (7" en 14") opgaand per 2,5cm (1/2").

Om er snelheid in te krijgen wordt met vliegende starts gewerkt. Dat kan perfect omdat er met startlichten gewerkt wordt. Op de startlijn staat een set sensoren die registreren wanneer de honden starten en wisselen/. Bij een fout gaat er een licht branden en moet de hond die een fout gemaakt heeft opnieuw lopen. Elk team krijgt 1 valse (te vroege) start. Bij een 2e wordt de heat verder gelopen. Bijna elke competitie heeft zijn eigen reglementen waardoor vergelijken van prestaties en resultaten bijna onmogelijk is. In de meeste competities wordt het EJS (Electronic Judging System) gebruikt.

Gehoorzaamheid

 

Door middel van hondentraining wordt een hond geleerd om opdrachten uit te voeren, op bepaalde situaties te reageren of zich op een bepaalde manier te gedragen.

De hond is van nature sociaal ingesteld, gewend als hij is om in roedels te leven. Daarom wil het dier, die de mens ook als lid van het roedel beschouwt, de andere leden zoveel als mogelijk is naar de zin te maken. Het is mede daardoor redelijk makkelijk om een hond te trainen. Ook een geleidehond en een hulphond doorlopen eerst een intensieve training voor ze een baasje toegewezen krijgen. Niet elke hond is daarvoor even geschikt.

Veelvoorkomend gedrag dat honden aangeleerd wordt is het komen als ze geroepen worden en het "zitten" of "blijven" op commando. Bij het trainen van een hond kunnen beloningen (zoals eten of aandacht), zeker wanneer deze een positief effect sorteren op de training, gebruikt worden.

Clickertraining

Alhoewel de Clickermethode in België nog niet zo lang bekend is, bestaat deze reeds zeer lang.

Zij is gebaseerd op de, in de jaren 30 door de Amerikaanse professor B.F. Skinner ontdekte, bekrachtigingtraining (reinforcement). In 1963 legde Karen Pryor de echte basis voor de Clickermethode. Vanuit haar ervaring met het dolfijnen trainen ontdekte zij dat het perfect mogelijk is om honden ook met bekrachtigingstraining aan te pakken.

Clickermethode is een methode waarbij honden iets wordt aangeleerd door gericht te belonen op het gewenste gedrag met een geconditioneerde bekrachtiger. De hond wordt in tegenstelling tot de traditionele methoden niet gedwongen of gemanipuleerd om een bepaald gedrag te laten zien, maar wordt uitgenodigd of gemotiveerd om het gewenste gedrag te vertonen. Dit vraagt van de geleider heel wat meer denkwerk. Mensen zijn het immers gewoon om hun hond te straffen als hij wat verkeerd doet of hem in het gewenste gedrag te dwingen als hij het niet direct uitvoert. Bij de Clickermethode is straffen en dwingen uit den boze.

Deze trainingsmethode is door iedereen te gebruiken, volwassenen en kinderen. Er komt geen lichamelijke inspanning bij kijken, dus iedereen kan met de clicker werken.

De basisprincipes van Clickertraining zijn heel eenvoudig. Met een clicker – een speelgoedje – wordt een geluidje gemaakt, en daarna krijgt het dier een lekker hapje. Als dat een aantal keren is gebeurd, heeft het dier begrepen dat het geluidje, de click, betekent dat er een hapje aankomt. Zodra het dier dat weet, kan de clicker gebruikt worden om het dier ermee te trainen.

Communicatie is de basis van Clickertraining. Duidelijke communicatie. Het dier leert: “Wat ik doe, levert mij iets op. Omdat het mij iets leuks (lekkers) oplevert, ga ik eens proberen of mij dat nog een keer lukt. Hee! Het werkt!” Een dier dat dit door heeft, gaat steeds vaker het aangeleerde click-gedrag vertonen. Op dat moment is de hond (of het paard, de kat, het konijn) zijn baasje aan het trainen. Hij heeft er plezier in. Het levert hem wat op. Dat is precies de reden dat clickertraining zo goed werkt: het dier is gemotiveerd om mee te doen. Hij is op een positieve wijze gemotiveerd: hij doet het omdat hij het leuk vindt en niet omdat hij anders op zijn kop gaat krijgen.

Frisbee

Om je hond frisbee te leren spelen is leuk en zeker de moeite waard. Het is een geweldige manier om tijd met je hond door te brengen en nog gezond ook.

Sommige honden hebben frisbee gelijk onder de knie en anderen hebben even wat tijd nodig, maar bijna elke hond kan het leren! Er is maar één voorwaarde voor het leren van frisbee aan de hond, de hond moet in een gezonde conditie zijn. Bij een pup is het noodzakelijk om te weten wanneer je hem mag laten springen. Een pup op een te jonge leeftijd laten springen kan schade aanrichten aan de groeischijven wat weer kan leiden tot levenslange problemen. Over het algemeen kun je er van uitgaan dat als de pup ongeveer 14 maanden is je kan gaan beginnen met het spel. 
Als de hond helemaal gezond en oud genoeg, dan is het tijd voor het echte werk. Kies een frisbee die zacht en flexibel is. Een harde frisbee kan pijn doen als de hond hem gaat vangen. Een manier om positieve associaties met de frisbee te waarborgen is om het te gebruiken als een soort schoteltje of een bord. Laat de hond er aan wennen. De kans is groot dat zodra je hond een paar maaltijden uit de frisbee heeft gehad, het volledig vertrouwd voelt. 
Aanmoedigen tot een spelletje
Vervolgens moet je je hond aanmoedigen om met de frisbee te spelen. Speel en plaag de hond een beetje met de frisbee, maak er een pak spelletje van. Als je hond geïnteresseerd is in het spelen met de frisbee, beloon hem dan. Als hij niet geïnteresseerd is, zet dan een opgewonden stem op en nodig hem uit tot spelen. Zodra je hond geïnteresseerd is in de frisbee, rol de frisbee dan op zijn kant door de kamer. Als hij de frisbee wil pakken beloon hem dan enthousiast. Als hij de frisbee gelijk terugbrengt, is dat natuurlijk perfect, maar dit ophalen is nog niet het belangrijk in dit stadium. Wees dus niet ongerust als hij niet doet. Blijf met de frisbee rollen zolang de hond het leuk vindt. 
Naar buiten
De volgende stap is het mee naar buiten nemen van de hond en de frisbee op korte afstanden weggooien. Als hij hem wil pakken stimuleer hem dan enthousiast. Gooi de frisbee naar je hond. In het begin doe je dit op korte afstanden en hou je de frisbee laag bij de grond. 
Zodra je hond naar de frisbee loopt dan moedig je hem weer aan om deze terug te brengen. Beloon hem als hij hem terugbrengt. 
Leren landen
Je hond zal uiteraard beginnen te springen om de frisbee te pakken, maar het is een goed idee om even de tijd te nemen om hem goed te leren landen. Zorg ervoor dat je hond op alle vier de poten landt, zodat de kracht van de landing verspreid wordt over vier poten. Mocht het nou vaak fout gaan met landen, bijvoorbeeld doordat de hond vaak op zijn rug belandt of niet op alle vier zijn poten, dan kun je hem goed leren springen door gebruik te maken van een hoepel. 

Schapendrijven

 

De hond werkt met een kudde van vijf schapen. Hij moet ze in beperkte tijd langs hekken in een omheinde ruimte brengen en dan twee dieren afzonderen. Dat is één van de moeilijkste oefeningen, omdat de hond met een hele kleine kudde werkt. Hij kan ook met twee kudden met tien schapen werken, waarbij elke kudde afzonderlijk teruggebracht moet worden. Vervolgens legt hij met de hele kudde hetzelfde parcours af, als voor een enkele kudde van vijf schapen. Als er met twee honden wordt gewerkt, gebruikt men zes schapen. De twee honden, die elkaar niet mogen passeren, leiden de kudde naar de schapenherder, scheiden ze in twee gelijke delen en vervolgens voert elke hond zijn kudde naar een andere omheinde ruimte. 

“De vriendschap van een hond is vriendschap voor het leven”